Tijd kan bij zowel kinderen als volwassenen met autisme een uitdaging zijn. Dat merk ik thuis bijna dagelijks, want mijn twee zoons gaan er totaal verschillend mee om.
Als ik zeg: “Over tien minuten zitten we in de auto,” dan gebeurt er vaak precies hetzelfde.
Mijn ene zoon staat stipt op tijd klaar. Jas aan, schoenen aan, tas gepakt. Soms zelfs al een paar minuten eerder. Voor hem is tijd namelijk heel duidelijk: tijd is tijd. Als we om tien uur weggaan, dan gaan we om tien uur weg.
Mijn andere zoon reageert heel anders. Terwijl ik heb gezegd dat we over tien minuten vertrekken, moet hij ineens nog van alles doen. Nog even iets pakken. Iets zoeken. Iets laten zien. Misschien nog snel naar de wc. Of toch nog even iets afmaken waar hij mee bezig was. En voor hem voelt dat ook logisch. Want in zijn beleving is er nog tijd genoeg.
Hoe kan dat zo verschillend zijn?
Wat ik door de jaren heen ben gaan begrijpen, is dat het bij autisme vaak niet zozeer gaat over willen luisteren, maar over hoe tijd wordt ervaren.
Voor sommige kinderen met autisme is tijd heel concreet en letterlijk. Een afspraak om tien uur is precies dat: tien uur. Niet vijf minuten later en ook niet “ongeveer”. Dat geeft houvast en duidelijkheid.
Als er dan iets verandert, bijvoorbeeld wanneer iemand te laat is, kan dat verwarrend zijn. Want de afspraak klopte toch?
Mijn zoon die altijd op tijd klaarstaat, vindt die duidelijkheid juist prettig. Het geeft hem structuur en voorspelbaarheid.
Tijd kan ook een vaag begrip zijn
Bij mijn andere zoon werkt het totaal anders. Voor hem is tijd veel minder concreet. Tien minuten kunnen voelen als een half uur. Of soms juist als één minuut. Als hij ergens mee bezig is, kan hij daar helemaal in opgaan. Daardoor lijkt het alsof er nog alle tijd van de wereld is.
Dus wanneer ik zeg: “Over tien minuten gaan we weg,” denkt hij oprecht dat er nog genoeg tijd is om eerst nog even dit of dat te doen. En voor je het weet zijn die tien minuten voorbij. Dat is geen onwil. Het is simpelweg dat het besef van tijd minder sterk is.
Twee uitersten in één gezin
Wat ik bijzonder vind, is dat je binnen één gezin zulke verschillen kunt zien. De één houdt zich strak vast aan de tijd en aan afspraken. De ander heeft juist hulp nodig om tijd beter te kunnen inschatten.
En als ouder moet je daar steeds weer een balans in vinden.
Door de jaren heen heb ik een paar dingen ontdekt die helpen om het vertrek uit huis iets soepeler te laten verlopen.
1. Tijd zichtbaar maken
Tijd is eigenlijk een abstract begrip. Door het zichtbaar te maken, wordt het duidelijker.
Een timer, een aftellende klok of een zandloper kan helpen. Dan zien mijn kinderen letterlijk hoeveel tijd er nog is.
2. Niet één keer, maar meerdere keren aankondigen
Alleen zeggen “over tien minuten gaan we weg” is vaak niet genoeg.
Wat beter werkt is bijvoorbeeld:
• “Nog tien minuten.”
• “Nog vijf minuten.”
• “Nog twee minuten.”
• “We gaan nu echt richting de auto.”
Zo wordt de overgang minder abrupt.
3. Duidelijk maken wat er verwacht wordt
Ik probeer niet alleen de tijd te noemen, maar ook de actie.
Dus niet alleen:
“Over tien minuten gaan we weg.”
Maar bijvoorbeeld:
“Over tien minuten zitten we met jas en schoenen aan in de auto.”
Dat maakt het concreter.
En soms… gewoon wat extra tijd
Wat ik misschien wel het meest heb geleerd, is dat een beetje extra tijd inplannen veel stress kan schelen.
Als ik weet dat vertrekken soms wat langer duurt, probeer ik daar rekening mee te houden. Dat maakt het voor iedereen een stuk rustiger.
Tijd lijkt voor veel mensen vanzelfsprekend. Maar voor kinderen met autisme kan het heel verschillend aanvoelen. Mijn ene zoon laat zien hoe belangrijk duidelijke afspraken kunnen zijn. Mijn andere zoon laat me zien hoe lastig het kan zijn om tijd goed in te schatten.
En eerlijk gezegd leer ik daar als ouder elke dag nog van. Want uiteindelijk gaat het er niet om dat alles perfect op tijd gaat, maar dat we elkaar beter begrijpen.
Petra Dekker
Coördinator Mama Vita

